Betalen voor je ligplaats – 3
Het onderwerp ‘Betalen voor je ligplaats’ vormt met deze afsluitende bijdrage inmiddels een heus drieluik – al wil ik natuurlijk niet beweren dat mijn bijdragen te vergelijken zijn met kunstwerken. Op verzoek van lezers bespreek ik nu de onroerendezaakbelasting (OZB) en de roerendezaakbelasting/ roerenderuimtebelasting (RZB/RRB).
Mr. Barry Meruma - Advocaat | Directeur HABITAT advocaten
De OZB en de veel minder bekende RZB/RRB zijn gebaseerd op de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en de Gemeentewet. Volgens die laatste wet bepaalt de gemeenteraad welke belastingen worden geheven. Zo kan het voorkomen dat in de ene gemeente wel een RZB/RRB-belasting geldt en in een andere niet. De OZB is een essentiële belasting waarvoor – zeker weten – elke gemeente een verordening heeft. Ik wil benadrukken: belastingheffing verplicht de overheid niet tot een directe tegenprestatie zoals onderhoud van een ligplaats. Belastingen zijn inkomsten voor het algemeen belang: zonder geld geen collectieve voorzieningen.
OZB-HEFFING
De OZB-heffing betreft alleen de ligplaatsen op waterkavels in eigendom of op erfpacht, want dat zijn onroerende zaken die dienen tot woning of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.(1) Letterlijk gelezen geldt de WOZ-wettekst alleen voor onroerende zaken, dus het eigendom van de waterkavel, en niet op het daarvan afgeleide erfpachtrecht. Bij de erfpachter kan toch OZB worden geheven, omdat de erfpachter het genot heeft van gebruik van het erfpachtrecht voor woondoeleinden.(2) De erfpachter van een ligplaats voor een woonboot betaalt daarom erfpachtcanon én OZB.
Precariobelasting (liggeld) is dan niet ook nog verschuldigd.(3) Is de erfverpachter niet de gemeente, dan wordt de OZB geheven bij de grondeigenaar/erfverpachter (eigenaar) én de erfpachter (gebruiker). Verreweg de meest voorkomende situatie bij drijvend wonen is de woonbooteigenaar die geen eigendom of erfpachtrecht heeft voor het gebruik van de ligplaats.
RRB-HEFFING
Dan richt de gemeenteraad de ‘pijl-en-boog’ op de woonboot zelf, met toebehoren. Omdat een woonboot een roerende zaak is, geldt de OZB niet. Daarom is een aparte belastingverordening voor roerende ruimten nodig. In Amsterdam wordt alleen de eigenaar en niet de gebruiker van een woonboot aangeslagen op de heffing RRB. Bij verhuur van de woonboot betaalt de huurder niet apart een gebruikersbelasting RRB.(4) Het kan verwarrend zijn dat bij deze belastingheffing de WOZ deels wordt gebruikt om de hoogte van de belastingheffing vast te stellen.
De woonbooteigenaar betaalt dus mogelijk RRB voor de woonboot én precariobelasting voor het gebruik van de ligplaats (liggeld). Mogelijk, omdat mij niet bekend is of overal waar woonboten liggen, de betreffende gemeenteraad een roerendezaakbelasting en/of precariobelasting heft.
Bij de toerekening op basis van artikel 220a lid 2 Gemeentewet moet niet alleen de waarde van de drijvende woning worden meegenomen, maar ook de waarde van de ondergrond en van de volledig aan de bewoning dienstbare overige delen, zoals tuinen, garages en schuren.(5) Dus de marktwaardetaxatie wanneer je een woonboot met toebehoren (ver)koopt.
Bij delen die niet tot woning dienen en waarbij moet worden beoordeeld of zij volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, is beslissend of en in hoeverre deze delen feitelijk worden gebruikt.(6) Deze zogenoemde roerendewoonruimtebelastingen sluiten, met betrekking tot heffingsmaatstaf en tarief, aan bij de regels voor de gemeentelijke onroerendezaakbelastingen.(7)
RRB-HEFFING
Dan richt de gemeenteraad de ‘pijl-en-boog’ op de woonboot zelf, met toebehoren. Omdat een woonboot een roerende zaak is, geldt de OZB niet. Daarom is een aparte belastingverordening voor roerende ruimten nodig. In Amsterdam wordt alleen de eigenaar en niet de gebruiker van een woonboot aangeslagen op de heffing RRB. Bij verhuur van de woonboot betaalt de huurder niet apart een gebruikersbelasting RRB.4 Het kan verwarrend zijn dat bij deze belastingheffing de WOZ deels wordt gebruikt om de hoogte van de belastingheffing vast te stellen.
De woonbooteigenaar betaalt dus mogelijk RRB voor de woonboot én precariobelasting voor het gebruik van de ligplaats (liggeld). Mogelijk, omdat mij niet bekend is of overal waar woonboten liggen, de betreffende gemeenteraad een roerendezaakbelasting en/of precariobelasting heft.
Bij de toerekening op basis van artikel 220a lid 2 Gemeentewet moet niet alleen de waarde van de drijvende woning worden meegenomen, maar ook de waarde van de ondergrond en van de volledig aan de bewoning dienstbare overige delen, zoals tuinen, garages en schuren.5 Dus de marktwaardetaxatie wanneer je een woonboot met toebehoren (ver)koopt.
Bij delen die niet tot woning dienen en waarbij moet worden beoordeeld of zij volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, is beslissend of en in hoeverre deze delen feitelijk worden gebruikt.6 Deze zogenoemde roerendewoonruimtebelastingen sluiten, met betrekking tot heffingsmaatstaf en tarief, aan bij de regels voor de gemeentelijke onroerendezaakbelastingen.7
IN DE PRAKTIJK
Als bijzondere bepaling ingevolge artikel 221 lid 3 Gemeentewet geldt dat het tarief van de betreffende roerendezaakbelasting gelijk moet zijn aan het binnen de gemeente geldende tarief voor de onroerendezaakbelasting. Ook dat blijkt in de praktijk mis te kunnen gaan, waardoor een te hoge RZB/RRB moest worden betaald als geen bezwaar was gemaakt.
Bij een bezwaarschriftprocedure van ons tegen een Noord-Friese gemeente in 2023 bleek de regelgeving flink door elkaar te zijn gehaald. Gelukkig zag de gemeente dat ook en kon de woonbooteigenaar weer rustig slapen – hij hoefde veel minder te betalen.
ADVIES
Mijn advies: check wat je moet betalen! Meer informatie over bezwaar maken tegen een aanslag OZB of RZB/RRB vind je bij je gemeente en via deze link. •
1) Artikel 220a, Gemeentewet en Hoofdstuk IV, Wet waardering onroerende zaken
2) ECLI:NL:GHAMS:2014:2112; ECLI:NL:HR:2015:363
3) Voorbeeld: Artikel 8, lid 1, Verordening precariobelasting Amsterdam 2020
4) Voorbeeld: Artikel 2, lid 1, onder b, Verordening roerende ruimten 2022
5) ECLI:NL:HR:2017:1328
6) ECLI:NL:HR:2022:770
7) Kamervragen over het taxeren van woonboten in het kader van de WOZ, FED 1997/377